Nieuwsbrief paard juli 2018

 In Dierenkliniek Deurne, Dierenkliniek Gemert, Dierenkliniek Helmond, Paard

Droes

Jaarlijks zijn er uitbraken van droes. Het is dus goed om meer inzicht te krijgen in dit veel voorkomende probleem. Droes is een besmettelijke ziekte voor paarden die veroorzaakt wordt door een bacterie (Streptococcus equi equi). Deze bacterie zorgt voor een infectie van de voorste luchtwegen waarbij abcessen van de lymfeknopen ontstaan. Het is meestal een ziekte die paarden op jongere leeftijd doormaken en waar ze enige immuniteit tegen opbouwen. Deze immuniteit is niet levenslang, dus komt droes voor bij paarden van alle leeftijden.

Symptomen en behandeling

Meestal ontwikkelen paarden symptomen tussen de 2 en 6 dagen na besmetting. De klassieke symptomen beginnen met hoge koorts (> 39ᴼC) en niet willen eten.  Pas daarna wordt vieze neusuitvloeiing met gezwollen lymfeknopen en abcesvorming aan het hoofd en de hals waargenomen. De abcessen of zwelling rond de keelstreek kan maken dat een paard benauwd wordt . Gelukkig verloopt de ziekte regelmatig ook veel milder, waarbij alleen een vieze neus of hoesten optreedt.
In sommige gevallen van droes zijn er ernstige complicaties. Paarden kunnen een long- en/of borstvliesontsteking ontwikkelen, de abcessen kunnen zich door het hele lichaam verspreiden met aantasting van de belangrijke organen (verslagen droes) of het lichaam reageert met een overdreven immuunrespons waarbij de eigen bloedvaten of spieren ontstoken raken.

Het paard moet gedurende het ziekteverloop in de gaten worden gehouden of het benauwd wordt en of het blijft eten en drinken. Soms worden wat pijnstillende en ontstekingsremmende middelen gegeven. Het is ook belangrijk dat paarden lang genoeg voldoende rust krijgen tijdens en na de ziekte om de kans op een blijvende besmetting te verminderen.

Het stellen van een diagnose

Er zijn verschillende manieren om een diagnose te stellen. De diagnose wordt gesteld op basis van klinische verschijnselen en bevestigd door een gevoelige PCR-test die de aanwezigheid van de S. equi bacterie aantoont in een neusspoeling, swab of luchtzakspoeling. Deze test is niet 100% betrouwbaar. Dit kan komen door onder ander de lokalisatie van de swab of het moment dat de swab wordt afgenomen. Soms moet het paard toch behandeld worden alsof hij droes heeft en kan de test later alsnog herhaald worden om te zien of het paard de bacterie nog bij zich draagt.

Het is ook mogelijk om het bloed te testen voor antilichamen tegen S. equi. Meestal na een besmetting zal een paard een tijd antistoffen produceren. De antistoffen kunnen nog langer aanwezig zijn nadat de bacterie al verdwenen is. Daarom wordt er vaak een combinatie van testen gebruikt in de bestrijding van droes. Antilichamen wijzen erop dat het paard de bacterie is tegen tegengekomen en mogelijk nog draagt.

Als een uitbraak tegen zijn einde loopt, is het belangrijk te testen wanneer de paarden de bacterie niet meer uitscheiden en dus niet meer besmettelijk zijn.

Besmettingsgevaar!

Droes is behoorlijk besmettelijk. De bacterie is aanwezig in de neusuitvloeiing en het pus uit abcessen van besmette paarden. De bacterie wordt verspreid door direct contact tussen paarden, maar ook indirect bijvoorbeeld via verzorgers of besmette voorwerpen (drink/voerbakken, tuig, kleding). Ook als een paard geen symptomen meer heeft, kan het nog 4 tot 6 weken bacteriën uitscheiden. Soms wordt een paard ook een drager doordat de luchtzakken van een paard blijvend geïnfecteerd worden.
Er zijn dan geen symptomen te zien, maar het paard kan andere paarden blijven besmetten.

Hygiënemaatregelen

Het wordt aangeraden om tot 6 weken na het herstel van alle zieke paarden de stal gesloten te houden. Na twee weken zijn de risico’s van een nieuwe besmetting al veel minder als het bedrijf een goed hygiëneprotocol heeft aangehouden. Er moet ook een huishoudelijke reiniging en ontsmetting van de stallen en andere besmette ruimtes met bijvoorbeeld Halamid of chloor zijn uitgevoerd. Een weide waar paarden met droes hebben gestaan kan nog 4 weken besmettelijk blijven.

Bedrijven met een geval van droes moeten alle verkeer van paarden stil leggen om verdere verspreiding te voorkomen. De zieke paarden moeten geïsoleerd worden van de anderen met strikte hygiëne maatregelen. Verzorgers en stalbenodigdheden waar besmette paarden contact mee hebben, mogen niet bij de andere paarden komen. Een nieuw geval wordt pas infectieus voor andere paarden als er pus uit de abcessen komt of via de neusuitvloeiing. Daarom is het best om de andere paarden op stal twee keer daags te temperaturen om snel nieuwe gevallen te identificeren.

Doordat droes ernstige complicaties kan geven, de stal geïsoleerd moet worden voor een aantal weken en omdat er dragers kunnen zijn, wordt de behandeling een moeilijke en tijdrovende affaire. Er komen ook kosten bij vanwege het testen en eventuele behandelingen.

Bij verdenking van droes is het belangrijk om met een dierenarts het paard te onderzoeken en maatregelen te nemen of de stal te isoleren.


Artrose

Een veel voorkomende oorzaak van kreupelheid bij paarden is artrose. Artrose is gewrichtsslijtage, waarbij het kraakbeen en de gewrichtsvloeistof aangetast worden.
Het kan verschillende symptomen geven o.a. onregelmatig lopen, (opstart)stijfheid, kreupelheid, verzet, moeite om de hals te strekken en te buigen. Artrose kan een natuurlijk proces zijn bij het verouderen of een specifieke oorzaak hebben, zoals bijvoorbeeld een afwijkende beenstand, gewrichtsinfecties, overbelasting of breuken.

Hoe werkt een gewricht

Een gewricht heeft verschillende componenten die samen werken om botten te verbinden. Het kraakbeen bedekt de uiteinden van het bot en is glad, elastisch en heeft een schok dempende functie. Het kraakbeen zelf wordt niet doorbloed waardoor het moeilijker en slechter geneest. Het gewricht heeft een kapsel en spieren of pezen er omheen. Aan de binnenkant van het kapsel zit de synovia. Deze zorgt voor de voeding van het kraakbeen. In het kapsel en tussen de kraakbeenoppervlaktes functioneert de gewrichtsvloeistof als een smeermiddel.

Het verloop van artrose

Vaak begint artrose met normale slijtage en overbelasting. Dit veroorzaakt schade aan het kraakbeen. Doordat het kraakbeen maar beperkt kan herstellen, ontstaat er een kleine tijdelijke ontstekingsreactie door de beschadiging. Als deze reactie te heftig is of te lang duurt, zal de ontstekingsreactie actief blijven. De reactie geeft stoffen vrij die het kraakbeen beschadigen, de kwaliteit van de gewrichtsvloeistof verslechteren en een pijngevoel geven. Het risico op nieuwe of verdere beschadigingen is groter dan normaal en de ontstekingsreactie zal niet tot rust komen. Een vicieuze cirkel kan ontstaan waardoor het gewricht geleidelijk verslechtert. Als het kraakbeen slechter wordt, begint het onderliggende bot te vervormen. Er komen scherpe randen of nieuwe botvorming rond het gewricht. Deze veranderingen zijn zichbaar op een rontgenfoto, maar de beginnende kraakbeenschade helaas niet. Vaak is de eerste klinisch teken van atrose opvullig van de gewrichten, maar ook dit is een geleidelijk proces.

Artrose kan een duidelijke kreupelheid veroorzaken maar dat is zeker niet altijd zo. Vaak gaat het gepaard met een wat stijvere gang. Het kan ook zijn dat het paard één been vaker op rust zet of moeite heeft met het optillen van een been.

Wanneer we op een röntgenfoto artrose zien wil dat niet altijd zeggen dat het paard daadwerkelijk pijn heeft. Veel, zeker oudere paarden hebben in lichte mate artrose van één of meerdere gewrichten. Een klinisch onderzoek kan uitwijzen of het paard er werkelijk last van heeft of niet. Het is mogelijk om het gewricht te verdoven om te zien of dit leidt tot een verbetering in het bewegen.

Behandeling

Op het moment wordt er veel onderzoek gedaan naar oplossingen voor artrose, maar we zijn nog niet zo ver. Het is wel mogelijk om de ontstekingsreactie af te remmen en de vicieuze cirkel te doorbreken. Dit zorgt dat de pijnklachten en kreupelheid verminderen en het risico op verdere beschadigingen verkleint wordt.

In onze volgende nieuwsbrief zullen we in gaan op de verschillende behandelingen die er zijn, zoals injecties met ontstekingsremmers, hyaluronzuur, IRAP, stamcellen, etc.