Nieuwsbrief Varken 2020-4

 In Dierenkliniek Deurne, Varken

Bijterij

Bijterij is een afwijkend gedrag bij varkens, waarbij het ene varken in de staart, het oor, de flank, de poot of ander lichaamsdeel van een ander varken bijt. Het is een uiting van discomfort en een ernstige aantasting van het dierenwelzijn. Bijterij is daarom een indicatie (symptoom) van een onderliggend probleem. Er zijn vele mogelijke risicofactoren/onderliggende problemen voor het ontstaan van bijterij. Het ontstaan van bijterij kan gezien worden als een emmer die gevuld wordt met risicofactoren, als er teveel risicofactoren aanwezig zijn, ontstaat er bijterij.

Type bijters

Er zijn drie type bijters:
1) Het varken dat bijt uit verveling. Dit type bijter begint met sabbelen op bijvoorbeeld de staart uit verveling, gevolgd door verwondingen en het werkelijk bijten. Wees dus al alert als varkens aan elkaars staart sabbelen (te herkennen aan het ontbreken van een pluimpje haar aan het einde van de staart zie afbeelding 1.).
2) Het varken dat bijt uit frustratie. Er is onvoldoende toegang tot resources, zoals voer/water/ligplaats/hokverrijkingsmateriaal/etc.. Dit levert frustraties op bij het varken, waarna deze zich op bijvoorbeeld staarten of oren afreageert.
3) De obsessieve bijter. Dit is een gestoord varken dat 11,5-20% van de tijd geobsedeerd is op staarten/oren/etc. t.o.v. 1,5% bij de andere type bijters. Ofwel, dit dier is psychisch niet in orde. Slechts een zeer beperkt aantal dieren valt onder deze categorie. Een mogelijke verklaring voor het optreden van dit obsessief gedrag is een zuurstofgebrek tijdens de geboorte.

Afbeelding 1. Gevolgen van sabbelen aan de staart als uiting van verveling.

Risicofactoren voor bijterij

Verveling
Dit vult de emmer al voor de helft.
In de natuur zijn varkens gemiddeld 5-10 uur per dag bezig met het zoeken van voedsel (= foerageren). In de huidige varkenshouderij hoeven varkens veel minder tijd hieraan te besteden, waardoor ze zeeën van tijd hebben. Deze tijd gebruiken zij vervolgens om de omgeving te verkennen door middel van wroeten, geur, geluid, smaak en zicht. Indien de omgeving “bekend” is, kunnen varkens zich gaan vervelen. Daarom is het belangrijk dat de omgeving van een varken interessant blijft, dit kan bereikt worden door goed hokverrijkingsmateriaal (zie nieuwsbrief 2020-2 en de brochure van de WUR).

Klimaat
Het gedrag van de varkens kan indicatief zijn voor fouten in het klimaat, denk hierbij aan het liggedrag van de varkens. Ook kan de hokbevuiling een indicatie zijn voor onjuistheden in het klimaat. Daarnaast kunnen verschillende klimaatfactoren gemeten worden:
Gevoelstemperatuur
– Temperatuur (zowel te hoge als te lage (omgevings)temperatuur)
– Luchtvochtigheid (met name verhoogde luchtvochtigheid)
Luchtstroom / tocht / koude luchtval
Luchtkwaliteit (CO2 / ammoniak / CO / stof / schadelijke gassen / etc.)

Hokbezetting en -indeling
Het wettelijk minimum voor de hokbezetting is een minimum. Het kan optimaler voor de varkens zijn om meer ruimte te hebben per dier. Transport van dieren is een stressmoment en daarom een risicofactor voor bijterij. Ook het vloertype kan van invloed zijn op bijterij, een volroostervloer is een groter risico dan een deelrooster of dichte vloer. Verder moet het functiegebied duidelijk zijn voor alle varkens. Varkens hebben van nature hun leefruimte in functiegebieden ingedeeld, zij hebben een vaste mestplaats, voer- en drinkplaats, speelplaats en slaapplaats. Als deze plaatsen binnen een hok niet voor alle varkens duidelijk zijn, kan er onrust en dus bijterij ontstaan.

Groepsindeling
De groepsgrootte kan van invloed zijn op bijterij. Te grote groepen zorgen ervoor dat er geen sociale rangorde meer kan zijn en de dieren elkaar onvoldoende herkennen. Dit levert frustraties of gevechten op. Verder kan de groepssamenstelling van invloed zijn, wanneer er geen stabiele groepen zijn is dit een risico. Denk hierbij niet alleen aan veranderende groepen door het toevoegen of weghalen van dieren, maar ook aan het ziek worden of sterven van dieren, waardoor de rangorde verandert.

Voer- en watergift
Als de wateropbrengst per drinkplaats te laag of te hoog is, kan dit een reden zijn voor bijterij. Ook teveel dieren per drinkplaats, een onvoldoende bereikbaarheid van de drinkplaats, onvoldoende waterkwaliteit of onvoldoende wateropname kunnen frustratie geven. Voor de voername geldt ook teveel dieren per voerplaats is een risico. Bij <5 dieren per voerplaats wordt de kans op bijterij verkleind. Varkens eten daarnaast graag samen of in ieder geval met meerdere dieren tegelijk. Rondvreters zijn daarom erg geschikt, zo kunnen ze samen “aan tafel” eten. Verder kan de voerverstrekking van invloed zijn: onregelmatige tijden, beperkt voeren en storingen in de voergift zijn daarbij een risico. Daarnaast heeft de voersamenstelling nog invloed: een essentiële aminozuren tekort (zeker tryptofaan), te laag eiwitgehalte, onvoldoende verteerbare of fermenteerbare vezels, te korte kauwtijd (o.a. maalfijnheid), onjuiste mineralengehalte en te korten in het algemeen zijn risicofactoren voor bijterij. Een te laag zoutgehalte geeft daarnaast meer wroetgedrag. Als dit gedrag niet kan plaatsvinden, zullen de varkens zich op hokgenoten richten. Stress zorgt daarnaast voor een verhoogde zoutuitscheiding en daarmee voor een verhoogde zoutbehoefte. Mycotoxines in het voer zouden ook van invloed kunnen zijn op de bijterij op een bedrijf.

Diergezondheid
Een suboptimale gezondheid van varkens vergroot de kans op bijterij. Dit kan ten gevolge van pijn zijn of door stress. Ook kunnen ziekten of kreupelheden het natuurlijk gedrag belemmeren of ervoor zorgen dat het dier belemmerd wordt in zijn vluchtgedrag, denk bijvoorbeeld aan een big met hersenvliesontsteking die niet in staat is om weg te lopen wanneer hij in zijn oren gebeten wordt.
Daarnaast vormt bijterij juist een risico voor de diergezondheid, omdat de wonden een ingang voor ziektekiemen vormen.

Genetica
Bepaalde lijnen en rassen (zoals magere vleesrassen) blijken gevoeliger voor bijterij te zijn dan andere lijnen/rassen. Selecteer eventueel in de fokkerij op bijterij. Mannelijke dieren zijn vaker slachtoffer van bijterij, borgen zelfs nog vaker dan beren (slachtoffers: zeugen < beren < borgen). Achterblijvers en kleinere dieren zijn daarentegen vaker dader.

Aanpak bijterij

1. Probeer de symptomen in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen en daarmee tijdig in te grijpen. Drie dagen vóór de eerste verwondingen, zouden de voorspellende symptomen al gezien kunnen worden, bijvoorbeeld aan de stand van de staart, het ontbreken van het pluimpje haar op de staart of het gedrag / de onrust binnen een koppel.

2. Probeer het type bijter te identificeren, waarna een gerichte aanpak uitgevoerd kan worden. Zo zal extra hokverrijking niet meer helpen bij een obsessieve bijter en moet deze gesepareerd worden. Bij de andere type bijters zal hokverrijking wel een positief effect hebben.

3. Behandel slachtoffers adequaat (verstrek pijnstilling, lokale behandeling met bijvoorbeeld kenofixspray en eventuele inzet van antibiotica volgens uw bedrijfsgezondheidsplan bij infecties).

4. Neem risicofactoren zoveel mogelijk weg.

5. Zorgt voor een adequaat noodplan:

  • Verstrek extra hokverrijking (inspiratie kan opgedaan worden via de brochure hokverrijking, daarnaast kunt u hierover sparren met uw dierenarts). Let wel goed op de herkomst van uw hokverrijkingsmateriaal, zorg dat dit veilig is en geen ongewenste kiemen bevat. Daarnaast moet het hokverrijkingsmateriaal ook hygiënisch gebruikt worden (reinig bijvoorbeeld tussen rondes door goed het hokverrijkingsmateriaal en zorg dat eetbaar materiaal slechts voor één koppel gebruikt wordt, stem de grootte/hoeveelheid hierop af).
  • Zorg voor ruimte om gewonde dieren te huisvesten of om een obsessieve bijter te kunnen separeren.

6. Maak een plan om de bijterij in de toekomst te voorkomen, ofwel een preventieplan.

Inmiddels is er een welzijnscheck gepubliceerd, welke kan helpen bij het in kaart brengen van de mogelijk risicofactoren voor bijterij op uw bedrijf. De POV heeft sterk aangedrongen dat de welzijnscheck opgenomen wordt in de IKB-reglementen. Vanaf 1 juli 2020 is het invullen daarom verplicht in de IKB. De uitvoering hiervan is de verantwoording van u als veehouder. Bespreek echter de welzijnscheck wel met uw dierenarts en voedingsadviseur. Zodat zij u kunnen helpen om de eventuele risicofactoren te beperken. De check moet voor elk UBN en elke aanwezige diergroep ingevuld worden (kraambiggen, gespeende biggen, vleesvarkens en fokgelten).