Nieuwsbrief Varken mei 2016

 In Algemeen, Dierenkliniek Deurne, Dierenkliniek Gemert, Dierenkliniek Helmond, Varken

Hittestress bij varkens

Varkens zijn zeer gevoelig voor hitte en luchtvochtigheid en dit kan een negatieve invloed hebben op hun prestaties, gezondheid en comfort. Vanaf een bepaalde temperatuur worden varkens sloom en neemt de eetlust af. De ademfrequentie neemt tijdens hittestress enorm toe omdat varkens niet kunnen zweten.
Lacterende zeugen zijn uiterst gevoelig voor hoge temperaturen vanwege hun toegenomen  metabolisme. Bij een omgevingstemperatuur hoger dan 22⁰C, neemt per graad Celsius de vrijwillige voeropname met 190 gram per dag af. Om de verminderde voeropname te compenseren, wordt er meer vet gemobiliseerd. Met als consequentie dat de groei van biggen tijdens de zoogperiode afneemt en daarmee het speengewicht. Daarnaast valt de vruchtbaarheid van zeugen na het spenen tegen. Het % terugkomers neemt toe, de worpgrootte van de volgende worp neemt af, het interval spenen-dekken neemt toe en de follikelkwaliteit neemt af.

Vleesvarkens worden naar mate ze zwaarder worden gevoeliger voor hittestress, vanwege de toename van onderhuidsvetweefsel. Hierdoor neemt de voedselopname bij zwaardere vleesvarkens sterker af bij stijgende temperaturen dan bij lichtere vleesvarkens. (zie grafiek 1.)

grafiek varken

Grafiek 1: Variatie in voeropname bij verschillende temperaturen en lichaamsgewicht

 

 

 

Als varkenshouder kunt u diverse maatregelen nemen om hittestress bij varkens te voorkomen:

* Zorg voor beschikbaarheid van voldoende (koud!) drinkwater (waterconsumptie kan 6x zoveel worden als normaal)
* Zorg dat water makkelijk beschikbaar is, zet bijvoorbeeld de trog vol water.
* Zorg voor koeling in de centrale gang of direct bij de dieren d.m.v. water en/of verneveling (controleer of dit functioneert voor het heet wordt en laat evt. dieren er aan wennen). Verneveling kan met ingebouwde systemen maar ook met simpele tijdelijke oplossingen. (vermijd dat dieren echt nat worden, dat kan een averechts effect hebben)
* Zorg dat de luchtinlaat, ventilatoren, centraal afzuigkanaal en luchtwasser schoon zijn (zodat lucht ongehinderd kan stromen)
* Zet voor ramen een isolatieplaat, zodat de zonlicht niet direct op de dieren valt
* Controleer of het alarm functioneert (voor het echt warm wordt)
* Controleer of er geen warme leklucht de stal binnen komt (via bijvoorbeeld het dak of de winterluchtinlaat) (zie afbeelding 1)
* Verlaag het voerschema enkele dagen voor verwachte hitte
* Vermijd voeren op het heetst van de dag (niet voeren tussen 10 en 16u)
* Vermijd vaccineren op hete dagen. Schuif koppelvaccinaties naar voren.
* Voeg extra vitamine C en A en/of electrolyten toe aan het voer of drinkwater
* Overleg met uw voerleverancier wat zij voor u kunnen betekenen d.m.v. aanpassingen in het rantsoen. Vermijd grondstoffen die endogene warmteproductie verhogen.
* In overleg met uw dierenarts kunt u ook middelen om de lichaamstemperatuur te verlagen geven aan risicodieren, zoals bijvoorbeeld Na-Salicylaat of Ketoxyme®

 varken1.0 varken1.1

Afbeelding 1: Zorg dat er geen leklucht in de afdeling komt. De temperaturen onder het dak kunnen erg oplopen in de zomer. Let op! Deze foto is in de winter gemaakt.


APP

Actinobacillus pleuropneumoniae is een bacteriële infectie die bij varkens pleuropneumonie (borstvlies- en longontsteking) kan veroorzaken. Wereldwijd komen 15 serotypes voor, waarbij in Nederland type 2 en type 9 het vaakst aangetroffen worden. Type 2 wordt vaker geassocieerd met chronische klachten (geen ernstige kliniek, pleuritis aan slachtlijn). Type 9 komt vaker voor bij varkens met acutere en ernstigere klinische verschijnselen. De mate van ziekte verwekkend vermogen wordt onder andere bepaald door de combinatie van exotoxinen die door de bacterie geproduceerd worden. Ook andere serotypes lijken in Nederland steeds meer een rol van betekenis te spelen.  Binnen onze praktijk zijn deze opkomende andere types ook al enkele malen gediagnosticeerd.

Symptomen

De voorste luchtwegen en amandelen van zuigende biggen kunnen al in de kraamstal geïnfecteerd raken. Dit zal doorgaans, door de aanwezigheid van maternale antistoffen, niet leiden tot klinische verschijnselen. Meestal zal kliniek optreden ná het spenen of in de vleesvarkens fase. In gevoelige populaties kunnen echter al in de kraamstal klinische verschijnselen waargenomen worden.

In het verloop van de ziekte wordt onderscheid gemaakt tussen een per acuut (sterfte zonder voorafgaande klinische verschijnselen), acuut en chronisch ziekteverloop. Bij per acuut zieke dieren kan een bloederige neus uitvloeiing waarneembaar zijn, vaak net voor sterfte. Hartfalen met bijbehorend blauwverkleuring van lichaamsuiteinden kan optreden. Als dieren niet sterven is een geforceerde uitademing, hoge koorts (tot 41.5°C), apathie en anorexie waarneembaar. Hoesten wordt in een later stadium gezien. In de chronische fase blijven dieren achter in groei en kunnen hoest vertonen zonder hoge koorts. Soms zullen de aangetaste varkens lang in ‘hondezit’ blijven zitten.

Diagnose

Een APP infectie kan aangetoond worden door kweek van de kiem uit longen van gestorven dieren. Als koppel diagnostiek is serologisch onderzoek op afweerstoffen een belangrijk instrument om moment van infectie te bepalen. Ook kan de maternale bescherming gemeten worden met serologisch onderzoek en kan bepaald worden welk(e) type(s) van APP verantwoordelijk zijn. Andere diagnostisch middelen zijn onderzoek op speeksel monsters en longspoeling. Deze bepalingen worden in ons eigen laboratorium uitgevoerd.

Behandeling

Indien één of enkele dieren klinische symptomen vertonen dan kan een individuele behandeling met een geschikt antibioticum voldoende zijn (bijv. oxytetracycline, florfenicol, penicilline). Als infectie bij meerder dieren te verwachten is, dan is toediening van antibiotica middels koppel medicatie het beste medicatie (naast individuele behandeling van zieke dieren); doxycycline of trimethoprim-sulfaat bij voorkeur door het drinkwater. Bij ernstige/uitgebreide APP infecties moet er zeer snel en adequaat ingegrepen worden. Medicatie via voer of drinkwater alleen is dan onvoldoende; alle dieren binnen een koppel zullen individueel behandeld moeten worden middels injectie met antibioticum, eventueel ondersteund met een ontstekingsremmer (bijv. melovem ®). Preventie Allereerst is het belangrijk om te evalueren of de kliniek primair veroorzaakt wordt door een APP infectie, of dat er sprake is van een secundaire infectie. Eventuele primaire oorzaken zullen eerst aangepakt moeten worden. Denk hierbij aan andere infecties (bijv. PRRS, griep, M. hyopneumonia, spoelwormen) maar vooral ook aan klimaatafwijkingen (tocht, te grote temperatuurschommelingen).Varken 3.1

De gevolge van APP infecties kunnen het best bestreden worden middels vaccinaties. Hierbij is het moment van vaccineren belangrijk (o.a. te bepalen aan de hand van serologie), als wel met welk vaccin er gevaccineerd wordt. DAC ZuidOost heeft momenteel 3 vaccins in gebruik (Porcilis APP ®, Coglapix ®, Autovaccins) met elk hun specifieke eigenschappen.

Bij zeer vroeg infecties (in batterij) kan overwogen worden om de zeugen te vaccineren. Infectie in de vleesvarkens fase kunnen gecontroleerd worden door vaccinatie in de batterij en/of mesterij.

Prevalentie

Een indruk van de prevalentie (het vóórkomen van de infectie) van APP infecties, kan verkregen worden door alle serologische uitslagen welke door het laboratorium van DAC ZuidOost zijn verricht te evalueren. Tevens kan hierbij een indruk verkregen worden welke serotypes een rol van betekenis spelen.

 

Varken4.0 varken4.1

Vergelijking van inzendingen van kwartaal 1 t.o.v. kwartaal 4 in 2015 werkgebied DAC ZuidOost voor APP type 2.5.0 5.1

Vergelijking  van inzendingen van kwartaal 1 t.o.v. kwartaal 3 in 2015 werkgebied DAC ZuidOost voor APP type 9.

Uit bovenstaande grafieken kan geconcludeerd worden dat er voor zowel APP type 2 als type 9 een toename van het aantal positieve inzendingen gedurende 2015 was. Opvallend was wel dat de verdeling van inzendingen voor APP type 9 in het 4e kwartaal van 2015 weer vergelijkbaar was als de verdeling van het eerste kwartaal. Er lijkt dus een stijgende trend voor type 2 te zijn gedurende 2015, waarbij in het laatste kwartaal op ongeveer de helft van de onderzochte bedrijven in meer of mindere mate positieve monsters zijn aangetoond. Voor type 9 leek aanvankelijk stijgende trend waarneembaar te zijn, maar in het laatste kwartaal is deze trend dus niet doorgezet.

Conclusie

APP is nog altijd een infectie welke op varkens bedrijven een belangrijke rol van betekenis kan spelen in het streven naar een optimale productie. Naast adequate diagnostiek en snelle behandeling, biedt het inzetten van een goed vaccinatie protocol een belangrijke sleutel in het onder controle brengen/houden van deze infectie. Op elk bedrijf zal dit maatwerk zijn, waarbij u als varkenshouder met uw dierenarts de beste strategie kunt bepalen.