Nieuwsbrief herkauwers

Nieuwsbrief 2021

Dracht scannen op tweelingen

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het aantal tweelingdrachten toeneemt, vooral bij Holstein-koeien waar uit bijna vijf procent van alle drachten een tweeling wordt geboren. Zaken die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van een tweelingdracht zijn het seizoen, het aantal lactaties, de melkproductie, voortplantingsstoornissen voorafgaande aan de dracht en de genetische aanleg. 

In de maanden augustus, september en oktober is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat er meer tweelingdrachten voorkomen. Dit heeft vermoedelijk te maken met de afnemende daglengtes en het bijvoederen op stal door de mindere beschikbaarheid van vers gras.

Wat betreft het aantal lactaties, blijkt uit onderzoek dat een tweelingdracht bij een tweede-lactatie-koe stijgt met factor 3,4 en met factor 5,6 voor derde-kalfs-koeien ten opzichte van de kans op tweelingdracht bij een vaars. Ook hoogproductieve koeien (> 40kg/dag) hebben een grotere kans op een tweelingdracht. De verklaring hiervoor is dat er bij hoogproductieve koeien een hogere bloedtoevoer naar de lever is. Hierdoor worden steroïden hormonen zoals oestrogenen en progesteron sneller afgebroken. Daar oestrogenen zorgen voor een rem op de ontwikkeling van nieuwe eicellen, zal bij een verhoogde afbraak van dit hormoon de rem dus wegvallen en er meer eicellen door ontwikkelen en ovuleren. Voortplanting stoornissen zoals cystes en anoestrus verhogen tevens de kans op een tweelingdracht. Tot slot werd er in de literatuur ook aangetoond dat tweelingdracht voor een deel erfelijk bepaald is.

Zoals bekend heeft een tweelingdracht altijd meer kans op complicaties bij zowel de koe als de kalfjes. Zo is er meer risico op vruchtresorptie in de vroege dracht, verwerpen later in de dracht en geboortecomplicaties. Ook  staan de koeien vaker aan de nageboorte, hebben de koeien meer kans op een baarmoederontsteking, hebben ze vaker metabole stoornissen zoals kalfziekte of slepende melkziekte en starten ze moeilijker op. De kalfjes worden vaker doodgeboren, zijn zwakker door vroeggeboorte of onvruchtbaar door het ontstaan van een kween (tweelingdracht van stier- en vaarskalf).

Helaas kan er preventief weinig gedaan worden om tweelingdrachten te voorkomen. Als u weet dat een koe een tweelingdracht heeft kunt u hier wel op anticiperen. Omdat koeien met een tweelingdracht 6 tot 10 dagen eerder kalven is het belangrijk om deze koeien 7 dagen eerder droog te zetten. Indien er twee droogstandsgroepen zijn, moet een koe met een tweelingdracht eerder worden verplaatst naar de close-up groep, eventueel al bij droogzetten. Dit is afhankelijk van haar conditie. Enerzijds heeft ze een hogere energiebehoefte en anderzijds een lagere droge stof opname door het wegdrukken van de pens door de twee kalveren. Tevens is het belangrijk dat koeien met een tweelingdracht een goede mineralenvoorziening hebben middels bolussen of mineralen in het rantsoen. Door 3-4 weken voor de verwachte kalf datum een Kexxtone® bolus op te schieten verklein je bovendien de kans op metabole stoornissen. Rond het afkalven kan de koe tevens ondersteund worden met calciumbolussen om de kans op kalfziekte te verkleinen.

Tijdens het drachtig scannen van de koeien kunnen wij een tweelingdracht diagnosticeren. Hiervoor scannen we beide eierstokken en kijken hoeveel gele lichamen er aanwezig zijn. 95% van de tweelingdrachten bij koeien komen voort uit een twee-eigen tweeling.

Dit betekent dat er dus twee follikels ovuleren en er 2 eicellen vrijkomen. Indien er twee gele lichamen aanwezig zijn is er 60% kans dat er een tweelingdracht is. Zien wij dat er twee gele lichamen zijn dan moeten we de baarmoeder dus grondig onderzoeken om te kijken of er 1 of 2 embryo’s aanwezig zijn. Het scannen op tweelingen kan dus iets meer tijd in beslag nemen. Wil u graag weten of u koe een tweelingdracht heeft en bent u bereid om op deze koe een ander protocol toe te passen, overleg dit dan met uw bedrijfsdierenarts. 

 

BVD in Nederland

Bovine virale diarree (BVD) is een wel bekend virus onder de veehouders. Door de landelijke aanpak om Nederland BVD vrij te maken is het aantal positieve bedrijven al flink gedaald. Volgens de GD was er in 2015 nog een indicatie voor viruscirculatie bij circa 9% van de melkveebedrijven. Bij niet melk-leverende bedrijven is dit 14,5%. Van de melkveebedrijven had eind 2019 78,6% de BVD vrij- of onverdacht status, van de niet-melkleverende bedrijven nam 19% deel aan BVD-bestrijding. Het virus circuleert dus nog altijd in Nederland.

Indien het BVD virus op een rundveebedrijf binnenkomt waar runderen aanwezig zijn die nog niet eerder in contact zijn geweest met het BVD virus, zullen deze dieren een infectie doormaken en afweerstoffen aanmaken. Dit wordt een transïente infectie genoemd. Als een koe gedurende de eerste 4 maanden van de dracht wordt besmet met het BVD virus, wordt haar kalf geboren als een BVD drager. Deze kalfjes zijn de voornaamste bron van besmetting binnen de rundveepopulatie omdat zij levenslang en continu grote hoeveelheden virus uitscheiden. Deze drager kalfjes worden persistent geïnfecteerde (PI) kalfjes genoemd. Tevens kan een BVD infectie op een bedrijf zorgen voor vroeg embryonale sterfte, abortus,  kalveren met aangeboren afwijkingen, productiedaling, vruchtbaarheidsstoornissen en de geboorte van kalveren met een verzwakte afweer waardoor ze meer kans hebben op diarree en luchtwegproblemen.

Ondanks de BVD vrij routes en monitoring van bedrijven door de GD zijn er af en toe bedrijven die, zonder dat ze dieren aanvoeren, ineens BVD positieve dieren op hun bedrijf hebben. Naast de aanvoer van runderen zijn er meerdere risicofactoren voor de insleep van het virus door directe of indirecte contacten tussen runderen:

Directe contacten:                                             

  • Aanvoer van dieren van bedrijven met een lagere BVD-status (zonder onderzoek).
  • Aankoop van dieren die drachtig zijn van PI dier (Trojaans rund)
  • Gezamenlijke jongvee-opfok/uitschaar eenheid
  • Over-de-draadcontacten met (niet vrije) buurtbedrijven
  • Bezoek aan (niet-vrije) keuringen en shows

De risicofactoren met betrekking tot indirecte contacten:

  • Erfbetreders (zonder bedrijfskleding)
  • Het gebruik van gezamenlijke veetransportmiddelen en materialen met andere (niet-vrije) bedrijven.
  • Het inslepen van BVD met medicijnflesjes, naalden, spuiten, handschoenen, kleding, laarzen etc.
  • Het gebruik van besmet sperma en besmette embryo’s 
  • Niet-gecertificeerde melkveebedrijven/ kalverbedrijven in de buurt 

Ondanks dat je bedrijf vrij is van BVD is het dus belangrijk om waakzaam te blijven. Gezien de besmettingsgraad van BVD in Nederland kan geen garantie worden gegeven tegen (her)introductie van BVD-virus op (vrije) bedrijven. Ieder jaar komt het virus op vier van de honderd bedrijven opnieuw binnen. Op BVD vrije bedrijven hebben de runderen geen antistoffen tegen het virus, een koppel zonder antistoffen betekent dat de dieren niet beschermd zijn. Een eventuele infectie op het bedrijf slaat dan veel harder toe met grotere gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de dieren, maar heeft ook een bedrijfseconomische impact.

Naast een goede biosecurity, preventie en monitoring op uw bedrijf kan vaccinatie worden ingezet als een effectieve BVD-bestrijding. Middels vaccinatie zorg je dat je koppel antistoffen tegen BVD heeft waardoor een eventuele intrede van het virus veel minder schade zal toebrengen aan je bedrijf.

Naast het voorkomen van nieuwe infecties voorkomt vaccineren ook het ontstaan van BVD-dragerdieren (IP-kalveren). Indien uw bedrijf een vergroot risico loopt op insleep van BVD, kan vaccineren altijd uit omdat bij een infectie van uw bedrijf de bedrijfseconomische schade jaren kan aanhouden en flink in de papieren kan lopen. Op de website van de GD kunt u een BVD-preventie checklist vinden om het risico op BVD insleep op uw bedrijf te beoordelen.

Voor meer vragen of advies over het BVD virus kunt u altijd terecht bij onze dierenartsen.

Nieuwsbrief 2021 Maïs en mycotoxinen

Momenteel is de maïsoogst weer in volle gang. Afgelopen jaren zijn wij regelmatig problemen met de pensfunctie en darmwerking tegengekomen bij melkveebedrijven, die te herleiden waren op een hoge mycotoxinendruk vanuit de gevoerde maïs. In deze nieuwsbrief geven wij u tips hoe u myxotoxines kunt voorkomen en hoe u ermee om kunt gaan. 

 

Tips om de toxinedruk laag te houden:

  • Bekijk de maïsplanten of er veel verkleuringen (rode stelen) te zien zijn
    • Vaak is dit alleen te zien in een erg klein stukje van de maïs vlak bij de oprit 
    • Haksel deze stukken niet! Hier zijn de toxinegehaltes erg hoog en deze "besmetten" de hele partij die eromheen zit. 
  • Controleer op aangetaste bladeren (bladvlekziekte).
    • Schimmels en bacteriën overleven hier gemakkelijker op de maïsplant en kunnen zo in de kuil terecht komen. 
  • Indien de hele plant wordt gehakseld, stel het snijwerk zo af dat de hakselaar de maïsplant boven de 2e knoop afsnijdt.
    • De 1e knoop is de wortelknoop en de 2e knoop zit vaak redelijk hoog. Het stuk ertussen is ook vaak rood verkleurd. 
    • De plek van de 2e knoop zit op variabele hoogte, het is dus belangrijk om enkele planten op te meten en op basis van deze gegevens het snijwerk in te stellen. 
  • Maak gebruik van een inkuilmiddel
    • Ons advies is om grover te hakselen bij een groot maïsaandeel in het rantsoen. Door een inkuilmiddel te gebruiken wordt broei voorkomen.
    • Een inkuilmiddel zal de kuil ook sneller stabiliseren zodat de conservering zo snel mogelijk kan beginnen.
    • Een toplaag van een halve meter waar het inkuilmiddel aan wordt toegevoegd. De toplaag dient tevens kort – op een lengte van 6–8 mm – gehakseld te worden, zodat de top van de maïskuil goed vast aangereden wordt.
  • In het algemeen is goed aanrijden, luchtdicht afsluiten, voldoende voersnelheid en een recht snijvlak essentieel om opwarming van de kuil te voorkomen.
  • Naast de bekende adviezen om geen broeiende of zichtbaar (door schimmel) aangetaste maïs te voeren, kan er gebruik gemaakt worden van toxinebinders tijdens het voeren. Onder andere DaaTox® Pro is een product dat ten eerste de mycotoxinen absorbeert en daarnaast de aangetaste immuniteit van de darm verbeterd. Mycotoxines hebben namelijk een immunosuppressieve werking.

Niet te lang wachten met het hakselen (de toxinen worden nu gevormd – dus hoe langer je wacht, hoe groter het risico is op hoge toxinegehaltes).

Hittestress bij koeien

Na een frisse start beginnen de temperaturen buiten nu toch echt op te lopen, daarom geven wij u graag wat informatie en adviezen over hittestress bij koeien.

Algemeen

Koeien houden van temperaturen tussen -5°C en 18°C. Bij een temperatuur van 21°C en een luchtvochtigheid van 60-80% heeft een koe al last van de warmte en kan ze in hittestress gaan. In Nederland hebben we een gematigd klimaat waarbij de luchtvochtigheid vaak hoog is. Dit zijn omstandigheden van het klimaat die een negatieve uitwerking kunnen hebben voor onze koeien. Statistisch gezien zijn in Nederland de risicomaanden van mei tot en met augustus. Hittestress kan zorgen voor een verminderde voederopname en pensverzuring met een grotere kans op melkproductiedaling, uierontsteking en klauwproblemen.

Koeien kunnen hun warmte slecht kwijt via zweet maar verliezen hun warmte voornamelijk door te hijgen. Bij het zweten verliest de koe vocht, natrium en kalium en tijdens het hijgen verliest de koe vocht en koolstofdioxide (CO2). Kalium krijgt de koe meestal voldoende binnen via het rantsoen, maar natrium is al snel een beperkende factor. Door het CO2 dat uitgeademd wordt ontstaat er een respiratoire alkalose (het bloed wordt basisch) wat de koe gaat compenseren door bicarbonaat met de urine uit te scheiden. Binnen de perken kan een koe door deze processen de balans dus weer herstellen.

Bij extreme belasting zal de koe deze balans echter niet meer kunnen herstellen. Door het verlies aan bicarbonaat via de urine en via speekselen ontstaat er een verzuring van de pens. Daarnaast wordt door de verhoogde ademhaling meer energie en tijd voor ademhaling gevraagd met als gevolg minder tijd om te vreten. De koe gaat minder vreten en zo ontstaat er een negatieve energiebalans en aanvoer van vitamine en minderalen. Er ontstaat een neerwaartse spiraal. 

Wat te doen?

Management/ huisvesting

Bij beweiding is het verstandig de koeien op hete dagen op stal te houden of ‘siëstabeweiding’ toe te passen ('s avonds en 's nachts op de weide). Indien de koeien overdag op de weide worden gelaten zijn schaduwplaatsen belangrijk. Ook direct zonlicht in de stal dient vermeden te worden door bijvoorbeeld luchtplaten en windbreekgaas.

De ventilatie op stal kan vanaf 20 °C  ingeschakeld worden (trapsgewijs). Zorg op deze manier voor voldoende luchtcirculatie in de stal.

Zorg voor voldoende en schoon drinkwater op stal of bij beweiding. Op warme dagen kan een koe tot 150 liter water nodig hebben. Controleer tevens of de waterbakken voldoende druk hebben.

Koeling van daken (met een waterinstallatie) of geïsoleerde daken is een pre. Koelen van koeien door water kan vanaf 26°C maar dan is een goede ventilatie heel belangrijk om het vocht af te voeren, anders stijgt de luchtvochtigheid rondom de koe hetgeen ongunstig is voor de warmteafvoer van de koe.

Het verjagen van vliegen kost de koe ook energie, zorg dus voor goede vliegenbestrijding.

Voeding

Meerdere keren per dag voeren om piekwarmteproductie in het dier te voorkomen en ook om de frisheid van het voer te behouden en broei/bederf te voorkomen. Belangrijk is juist om minder in plaats van meer krachtvoer te gaan voeren om de stabiliteit van de pens te behouden. Gekozen kan worden voor bijproducten met gemakkelijk verteerbare ruwe celstoffen zoals soyahullen en bietenpulp. Blijf de ruwvoeropname stimuleren door fris vers voer te verstrekken.

Om verzuring te voorkomen en het bicarbonaatverlies aan te vullen kan er gekozen worden om 150-200 gram per dier per dag natriumbicarbonaat door het rantsoen te mengen. Let wel natrium mag ter preventie van hittestress niet in de vorm van NaCl (= zout) toegevoegd worden!

Sommige bedrijven kiezen ervoor om gedurende maximaal 3 maanden in de risicoperiode Daatox bij te voeren. Dit product bevat toxinebinders en extra toevoegingen aan vitaminen en mineralen. Bij broei/bederf en verminderde voeropname van het rantsoen is dit een welkome aanvulling. Daatox is via de praktijk te verkrijgen in zakken van 25 kg. De dosering is 10 gram per dier per dag.

Let op! Hittestress werkt nog enkele dagen door na een hitteperiode. De getroffen voorzieningen moeten dus nog enkele dagen na de hitteperiode blijven voortduren! 


 

Bestrijden van vliegen en knutten

Een goede vliegenbestrijding rond en op de dieren (koeien, ouder jongvee en kalveren) komt het dierenwelzijn ten goede en geeft rust bij het melken en hanteren van de dieren. Hiermee beperkt u tevens de verspreiding van verschillende ziekten die door deze insecten worden overgedragen zoals houw, zomerwrang, blauwtong en schmallenberg.

Zeker de bestrijding van knutten is niet geheel onbelangrijk. De Royal GD heeft afgelopen winter meer afwijkende kalveren aangeboden gekregen voor pathologie in vergelijking met vorig jaar. Pathologisch onderzoek heeft bevestigd dat het bij verschillende van deze kalveren om het schmallenbergvirus ging. Tevens blijkt uit onderzoek van het Royal GD, dat de bedrijfsprevalentie van het schmallenbergvirus op rundveebedrijven van 2015 naar 2017 is verdrievoudigd (van 6% naar 18% bij melkvee, 13% naar 43% bij vleesvee). 

Het schmallenbergvirus wordt in augustus, september, oktober en begin november overgebracht door knutten. De schade wordt voornamelijk veroorzaakt na een infectie bij vroeg- en mid-drachtige naïeve dieren. Het gaat daarbij vooral om opbrekers, abortus, doodgeboorte en misvormde kalveren met een gecompliceerd geboorteverloop. Andere verschijnselen bij runderen zijn koorts, diarree en geringe tot ernstige melkproductiedaling. 

Naast het preventief en geregeld uitmesten van potstallen en algehele hygiëne levert DAC ZuidOost de volgende middelen om u te helpen in de aanpak van vliegenoverlast:

  • Auriplak® oorflappen voor pinken en droogstaande koeien (werkingsduur 4 maanden). Wachttijd vlees en melk 0 dagen
  • Spotinor® pour-on behandeling en preventie van besmetting door luizen en vliegen bij runderen. 
  • Deltanil® pour-on behandeling en preventie van besmetting door luizen en vliegen bij runderen, eventueel in combinatie met het innovatieve FARMPACK® en FLEXIBAG® doseersysteem voor eenvoudige toediening bij gebruik van een 2,5 liter zak. Wachttijd rundvee vlees- en slachtafval: 17 dagen | melk: 0 dagen.